Veelgestelde vragen over windenergie
1. Waar zijn de windturbine-opstellingen gesitueerd?
2. Ik wil een windturbine op mijn grond realiseren, kan dat?
4. Wat gaat de projectorganisatie, die de uitvoering van windturbineprojecten voorbereidt, doen?
6. Wanneer mogen marktpartijen bouwplannen indienen voor windturbine-opstellingen?
7. Hoe is het Regionaal Windconvenant Midden-Holland tot stand gekomen?
8. Hoe staat het met de natuur- en landschapswaarden, zijn die wel goed meegenomen in het onderzoek?
9. Is er een Milieu Effect Rapportage (MER) nodig voor de realisatie van de windconventantlocaties?
10. Zijn de windconvenantlocaties niet strijdig met nabijheid van ecologische verbindingszones?
11. Wordt de openheid van het Groene Hart niet aangepast door horizonvervuilende windturbines?
12. De grote windturbines kunnen toch beter ver weg op zee worden geplaatst?
13. Wordt windenergie regiogemeenten in Midden-Holland en haar bewoners opgelegd?
1. Waar zijn de winturbine-opstellingen gesitueerd?
Op de kaart van het Regionaal Windconvenant staan de globale locaties weergegeven waar de convenantpartijen mogelijkheden zien voor windturbine-opstellingen. Onderscheid is gemaakt in zogenaamde eerste tranche locaties, die op kortere termijn realiseerbaar zouden zijn en portefeuille locaties, die eventueel onder voorwaarde(n) op langere termijn realiseerbaar zouden zijn. Voor alle locaties wordt gedacht aan lijnopstellingen langs grotere verkeersinfrastructuren.
Als eerste tranche locaties zijn aangemerkt het gebied ten westen van Gouda langs de rijksweg A20, de rijksweg A12 en de spoorlijn Gouda/Rotterdam. Ook zijn er eerste tranche locaties ten oosten van Gouda langs de rijksweg A12 ter hoogte van de bebouwing van Bodegraven en Woerden. Wat betreft de locatie ter hoogte van Woerden is met de provincie Utrecht overeengekomen dat overleg zal plaatsvinden over de aansluiting op het provinciaal windplan van de provincie Utrecht.
Als portefeuille locatie is aangemerkt het open gebied langs de rijksweg A12 tussen de bebouwing van Bodegraven en Woerden. Voor dit gebied geldt het 'nee, tenzij' principe (zie tekst windconvenant). Ook is er een portefeuillelocatie in de gemeente Oudewater langs de spoorlijn Gouda-Utrecht. Ook voor deze locatie geldt dat overleg met de provincie Utrecht zal plaatsvinden.
De projectorganisatie zal in samenwerking met de relevante convenantpartijen o.a. plaatsingsvisies voor windturbines opstellen voor de locaties uit het windconvenant. Deze plaatsingsvisies zijn een onderdeel van de randvoorwaarden, waarmee marktpartijen rekening dienen te houden bij het indienen van bouwplannen voor windturbine-opstellingen. In het voorjaar van 2004 zijn door CEA van de 4 windconvenantlocaties statusrapporten opgesteld, waarin de randvoorwaarden voor windturbine-opstellingen zijn weergegeven. Deze rapporten zijn inmiddels vastgesteld door de colleges van de relevante gemeenten Moordrecht, Waddinxveen en Reeuwijk.
2. Ik wil een windturbine op mijn grond realiseren, kan dat?
Indien de locatie is opgenomen in het Regionaal Windconvenant Midden-Holland wel (onder voorwaarden), anders voorlopig niet. Voorlopig niet, omdat het convenant een looptijd heeft tot en met 30 juni 2008. Indien zich voor ultimo 2008 belangrijke en onvoorziene wijzigingen voordoen die wezenlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van het convenant, zullen partijen met elkaar in overleg treden om te bezien in hoeverre het convenant dient te worden bijgesteld. Bedoeld worden met name veranderingen die betrekking hebben op:
- wijzigingen in wet- en regelgeving
- wijzigingen in landelijk of provinciaal beleid
Sinds de ondertekening van het convenant is door Provinciale Staten van Zuid-Holland op 22 oktober 2003 de nota WERVEL vastgesteld. Hierin is de locatie AC-restaurant Bodegraven aangegeven als 'studielocatie'. Dit betekent dat wellicht één of twee extra windturbines kunnen worden gebouwd in Midden-Holland.
3. Ik heb plannen voor een windturbine-opstelling, maar de locatie is niet opgenomen in het Regionaal Windconvenant Midden- Holland. Betekent dat dat deze opstelling onmogelijk is?
Voorlopig zijn hiervoor geen mogelijkheden aanwezig (zie antwoord op vorige vraag). Wel wordt het wellicht mogelijk om financieel te kunnen participeren in toekomstige windparken in Midden-Holland. Hierdoor kan het draagvlak voor windenergie bij omwonenden en burgers worden vergroot, waardoor de vergunningverleningsprocedures soepeler kunnen verlopen. De gemeenten kunnen initiatiefnemers echter niet dwingen om participatiemogelijkheden voor derden te creëren.
4. Wat gaat de projectorganisatie, die de uitvoering van windturbineprojecten voorbereidt, doen?
De projectorganisatie heeft een coördinerende uitvoerende taak en werkt t.b.v. besluitvorming op lokaal en provinciaal niveau. Als taakgebieden is, op basis van het convenant, gedacht aan:
- het aansturen van het proces van samenhangend ontwerp van de locaties in de deelgebieden (westelijk en oostelijk van Gouda) om een optimale ruimtelijke inpassing van de turbines te bereiken.
- het nader uitwerken van de plaatsingsvisie van windturbines.
- het nader uitwerken van de organisatie van ontwikkeling, bouw en exploitatie van windturbine- opstellingen.
- het opstellen van overige randvoorwaarden (met betrekking tot o.a. participatie), waarmeemarktpartijen rekening moeten houden bij de realisatie van windturbine-opstellingen.
- het nader uitwerken van de systematiek van de verdeling van lasten/lusten tussen gemeenten.
In bijlage 2 van het convenant is meer informatie over deze uitvoeringsorganisatie weergegeven.
5. Hoe is/wordt de projectorganisatie, die de uitvoering van windturbineprojecten voorbereidt, samengesteld?
Gezien de taken van de projectorganisatie en het gegeven dat onafhankelijk blijven van marktpartijen in de voorbereidingsfase belangrijk is, ligt het voor de hand dat alleen vertegenwoordigers van de provincie Zuid-Holland en de regiogemeenten zitting hebben in deze organisatie, al of niet deels bijgestaan door onafhankelijke adviseurs. Belangrijk is in ieder geval, dat vertegenwoordigers van gemeenten met windturbinelocaties in het convenant deelnemen. Het ligt voor de hand gebruik te maken van onafhankelijke adviseurs uit de in 2002 door SenterNovem ingestelde expertpool windenergie, indien dat nodig is. Andere partijen, zoals grondeigenaren, energiebedrijven, bewonersverenigingen, projectontwikkelaars kunnen hun eventuele inbreng leveren via bilaterale contacten met de projectorganisatie.
6. Wanneer mogen marktpartijen bouwplannen indienen voor windturbine-opstellingen?
Zodra de convenantpartijen de door de projectorganisatie voorgestelde randvoorwaarden hebben vastgesteld en bereid zijn medewerking te verlenen aan de noodzakelijke ruimteljke ordening procedures, zijn marktpartijen aan zet om concrete bouwplannen voor windturbine-opstellingen in te dienen bij de betreffende gemeente(n).
7. Hoe is het Regionaal Windconvenant Midden-Holland tot stand gekomen?
In het najaar van 1998 is op initiatief van de 10 samenwerkende regiogemeenten gestart met het onderzoek naar de mogelijkheden voor windturbine-opstellingen in de regio Midden-Holland. Dit onderzoek is uitgevoerd door adviesbureau CEA uit Rotterdam. Vrij snel na de start werd duidelijk dat er (nog) geen ruimtelijke mogelijkheden voor grootschalige windturbine-opstellingen aanwezig waren in het provinciale Streekplan Zuid-Holland Oost. Ook was er nog geen provinciaal beleidsplan windenergie vastgesteld. Toen medio 1999 zo'n 95% van de potentiële windturbinelocaties uit het windenergie-onderzoek werd afgekeurd door de PPC (Provinciale Planologische Commissie), was dat voor ons aanleiding om de tussenresultaten terug te trekken uit de provinciale besluitvormingsprocedure. Vervolgens is overleg georganiseerd op bestuurlijk niveau bij de provincie Zuid-Holland. In januari 2000 werd duidelijk dat er geen provinciaal taboe rustte op windturbines in het Groene Hart en is afgesproken dat wij ons regionale windenergie-onderzoek konden continueren, mits de projectorganisatie zou worden aangepast. Parallel aan ons vervolgonderzoek zou de provincie Zuid-Holland provinciaal windenergiebeleid ontwikkelen. In het najaar van 2000 is de daadwerkelijke doorstart gemaakt via het ontwikkelen van een regionaal windplan en een bijbehorend windconvenant. Medio 2001 was dit gereed, zodat in het najaar van 2001 de besluitvorming in individuele gemeenten en bij de provincie Zuid-Holland kon starten. Na enkele aanpassingen ging Provinciale Staten op 24 april 2002 uiteindelijk akkoord met een gewijzigd windconvenant. Na terugkoppeling van de aangepaste convenantsteks, kon op 17 oktober 2002 de uiteindelijke ondertekening plaatsvinden door de convenantpartijen.
8. Hoe staat het met de natuur- en landschapswaarden, zijn die wel goed meegenomen in het onderzoek?
Als onderdeel van de gebiedsstudies van de potentiële locaties heeft bureau Zandvoort Ordening en Advies een studie uitgevoerd naar landschappelijke- en natuuraspecten.
Wat betreft landschap hebben verschillende landschappelijke strategiën geleid tot het voorkeursmodel, waarbij lijnopstelling in een oost-west oriëntatie gerealiseerd worden, zoveel mogelijk gebruik makend van (infra)structuren die al in het landschap aanwezig zijn.
Wat betreft natuur is bezien of locaties in strijd zijn met huidige en toekomstige natuurwaarden (natuurbeschermings-gebieden, natuurontwikkelingsgebieden, ecologische verbindingszones en vogeltrektoutes), zoals aangegeven in het Streekplan, de natuurdoeltypekaart in Kleur Bekennen, de concept Ruimtelijke Visie Windenergie van de provincie Zuid-Holland, de uitgave Frisse Wind door Nederland van de 12 provinciale Milieufederaties en de Stichting Natuur en Milieu en mondelinge meededelingen van Vogelbescherming betreffende vogeltrekroutes. Indien de portefeuillelocatie in het open gebied langs de A12 tussen de bebouwing van Bodegraven en Woerden 'in beeld' komt voor concrete plaatsingsplannen, dan zal zeer goed bestudeerd moeten worden in hoeverre hier problemen zouden kunnen ontstaan ten aanzien van de zogenaamde natte-as, welke mogelijk als toekomstige ecologische verbindingszone wordt beschouwd. Naar verwachting ontstaan hier echter geen problemen mee. Inmiddels heeft de provincie Zuid-Holland voor alle in de nota Wervel opgenomen windlocaties een risico-onderzoek laten uitvoeren ten aan zien van vogelhinder. Bureau Waardenburg heeft voor de locaties in Midden-Holland geconcludeerd dat er nauwelijks sprake is van vogelhinder.
9. Is er een Milieu Effect Rapportage (MER) nodig voor de realisatie van de windconventantlocaties?
Voor windturbineparken van meer dan 10 windturbines of met een gezamenlijk vermogen groter dan 15 MW geldt een MER-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente, een beoordeling moet doen of het opstellen van een MER noodzakelijk is. Een MER voor windenergie bestaat uit een locatie-MER en een inrichtings-MER. Een locatie-MER beoordeelt verschillende locatie-alternatieven op hun milieugevolgen. Een inrichtings-MER weegt de verschillende inrichtingsalternatieven binnen een begrensde locatie.Voor de locaties A12/Oosteinde, A12/Parallelweg en A12/Distripark uit het Regionaal Windconvenant Midden-Holland geldt dat zeker geen MER noodzakelijk is. Voor de locatie A20/Moordrecht geldt dat net wel of net niet een MER noodzakelijk is.
10. Zijn de windconvenantlocaties niet strijdig met nabijheid van ecologische verbindingszones?
Nee, want bij de opstelling van het Regionaal Windplan Midden-Holland en bijbehorend windconvenant, hebben de convenantpartners samengewerkt met de Zuidhollandse Milieufederatie. De in het convenant weergegeven locaties (en ook de locatie AC-restaurant Bodegraven) voldoen volledig aan de in de publicatie "Frisse Wind door Nederland" aangegeven plaatsingscriteria, opgesteld in 2000 door de 12 provinciale Milieufederaties en Stichting Natuur en Milieu. De in het Regionaal Windconvenant Midden-Holland aangegeven locaties worden zelfs exact genoemd. De windconvenantlocaties zijn niet in de directe nabijheid van ecologische verbindingszones gesitueerd, maar sluiten juist aan bij de bestaande en aanstaande bebouwingsverstoring langs de A12 en A20. Een recent onderzoek (2003/2004) dat in opdracht van de provincie Zuid-Holland is uitgevoerd, heeft laten zien dat de hinder van de beoogde windturbineopstellingen t.o.v. vogels beperkt is.
11. Wordt de openheid van het Groene Hart niet aangepast door horizonvervuilende windturbines?
Nee, de windconvenantlocaties zijn niet in het open veenweidegebied gesitueerd en sluiten juist aan bij de bestaande en aanstaande bebouwingsverstoring langs de A12 en A20. Uitgangspunt daarbij is dat geen overschrijding van geluid- en slagschaduwhindernormen t.o.v. woonbebouwing mag optreden. Wel zijn moderne windturbines uiteraard zichtbaar (ook vanuit het veenweidegebied) vanwege de grote afmetingen. Voor de windconvenantlocaties wordt uitgegaan van een ashoogte (=masthoogte) van ongeveer 70 tot 90 meter met een rotordiameter van ongeveer 70 tot 80 meter. Door de beoogde korte lijnopstellingen van 3 tot 4 turbines is van grote aantasting van het landschap echter geen sprake. Of een windturbineopstelling horizonvervuiling is of niet, is een kwestie van smaak. De ene persoon vindt windturbines lelijk, de ander vindt ze mooi. In april 2005 is in de gemeenteraad van Reeuwijk besloten om de door het college opgestelde 'Voorwaardennotitie windenergie' niet te versturen naar de grondeigenaren/initiatiefnemers, vanwege de vermeende aantasting van het open veenweidegebied. Hierdoor is er onduidelijkheid ontstaan over de toekomstige ontwikkeling van windparken op de windconvenantlocaties A12/Parallelweg en A12/Oosteinde. Onderzocht wordt of er mogelijkheden zijn om uit de impasse te komen.
12. De grote windturbines kunnen toch beter ver weg op zee worden geplaatst?
Ondanks dat het op zee veel harder waait en het daarom rendabeler lijkt om windturbines daar te exploiteren, is dat op dit moment nog geen optie. Kort langs de kust hebben we te maken met vogeltrekroutes. Verderop in zee kun je er lastig bijkomen. Offshore windturbines moeten daarom erg onderhoudsarm zijn en dat is nog niet het geval. Vooralsnog moet er daarom nog steeds ruimte gevonden worden voor windturbineopstellingen op land, zodat ervaring opgedaan kan worden met onderhoudsarme windturbines. De verwachting is dat op den duur veel windenergie rendabel op zee kan worden opgewekt, zodat er dan minder noodzaak is voor de windturbines op land. De rijksoverheid heeft een doelstelling geformuleerd van 1500 MW windturbinevermogen op land in 2010 en 6000 MW op zee in 2020. Per 31-12-2005 is in Nederland 1219 MW windturbinevermogen op land geplaatst. Offshore blijft het in Nederland helaas nog slechts bij plannen. In oktober 2005 werd het beleidsstreven van het ministerie van 6.000 MW in 2010 verlaten en het korte termijn doel is nu 700 MW in 2010, inclusief de twee reeds vergunde parken NSWE en Q7WP van samen 228 MW.
13. Wordt windenergie regiogemeenten in Midden-Holland en haar bewoners opgelegd?
Nee, sinds 1993 wordt al door regiogemeenten samengewerkt bij de ontwikkeling en uitvoering van energie/klimaatbeleid. Het initiatief om windturbinelocaties te zoeken is in 1998 juist ontstaan vanuit de 10 samenwerkende regiogemeenten in Midden-Holland. Het is dus niet van boven opgelegd. Wel zijn de regiogemeenten geïnspireerd geraakt door de door het Rijk geformuleerde doelstelling voor Duurzame Energie (5% in 2010, 10% in 2020). In 2000 is de samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de Zuidhollandse Milieufederatie, Energiebedrijf Midden-Holland en vele andere organisaties tot stand gekomen. Gemeenteraden en Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben in 2002 goedkeuring gegeven aan het gezamenlijk ontwikkelde Regionaal Windconvenant Midden-Holland. Via persberichten, website, nieuwsbrieven, informatieavonden en persoonlijk overleg zijn inwoners en grondeigenaren geïnformeerd over de voortgang van de beoogde windturbineopstellingen.
14. In deze regio kunnen toch beter alternatieve toepassingen van duurzame energie worden gestimuleerd?
Kijkend naar de verschillende mogelijke duurzame energietoepassingen voor Nederland, dan is windenergie eigenlijk de enige echt duurzame optie die goed kan concurreren met fossiele brandstoffen. De biologische component uit afvalverbranding is wel goedkoop maar niet echt als duurzaam te beschouwen. Grootschalige elektriciteit-, warmte- en brandstofproductie uit echte biomassa is veelbelovend maar nog in ontwikkeling. Datzelfde geldt voor kleinschalige windturbines voor de gebouwde omgeving, een optie die naar verwachting altijd kleinschalig zal blijven. Zonneboilers zijn, met een huidige terugverdientijd van ca 10 jaren, concurrerend met fossiele brandstoffen, maar wekken slechts duurzame warmte op. Warmtepompen worden vanwege de rentabiliteit al veel toegepast in de utiliteitsbouw. Het toepassen van warmtepompen lijkt nu ook op gang te komen in grootschalige woningnieuwbouwprojecten in Bodegraven, Gouda en Waddinxveen. Zonnestroompanelen zijn veelbelovend, maar nu nog erg duur om een rol van betekenis te kunnen spelen. Een eerste mestvergistingsproject bij een agrarisch bedrijf in Oudewater komt wellicht tot stand in 2006. Na succes kan wellicht opschaling plaatsvinden, maar vooralsnog lijkt de veenbodem in dit gebied problematisch. Alle hier genoemde duurzame energietoepassingen moeten gestimuleerd worden, maar kunnen op dit moment nog geen rol van betekenis spelen. Windparken met moderne windturbines zijn op dit moment de beste duurzame energietoepassing, waarvan de huidige mogelijkheden niet onbenut zouden mogen blijven vanwege de urgentie van het klimaatprobleem.
15. De bijdrage van windenergie in Midden-Holland stelt toch niets voor in de strijd tegen het broeikaseffect?
De CO2-uitstoot, gerekend over de totale levenscyclus is bij gascentrales 400 gram per opgewekte kWh. Bij een kolencentrale zelfs 1.000 gram per kWh. Bij windenergie is dat slechts 8 gram. Voorwaar een enorm verschil. Dat alle huidige windparken in Nederland nog slechts bijdragen in een geringe CO2-uitstootreductie, pleit ervoor om juist meer windparken te realiseren. Door realisatie van 45 MW windturbinevermogen op de beoogde windconvenantlocaties kan een significante bijdrage geleverd worden in het terugdringen van de CO2-uitstoot in de regio Midden-Holland. De regiogemeenten hebben door middel van de ondertekening van het windconvenant aangegeven hun verantwoordelijkheid te willen nemen om een bijdrage te leveren. Op nationale- of mondiale schaal stelt deze regionale bijdrage natuurlijk weinig voor. Voor het bestrijden van het versterkte broeikaseffect moet iedereen al het mogelijke doen om het einddoel (een volledig duurzame energievoorziening) te bereiken. Daar zou ieder zijn/haar eigen verantwoordelijkheid in moeten nemen.



